Vertaling van krank

Inhoud:

Duits
Nederlands
krank, unwohl {bn.}
naar 
ziek 
ärgern, bekümmern, betrüben, kränken, Kummer bereiten, verdrießen, quälen {ww.}
ergeren
bedroeven 
bekümmern, betrüben, grämen, kränken, quälen, Leid verursachen, Herzeleid verursachen {ww.}
beproeven 
bedroeven 
beleidigen, kränken, verletzen {ww.}
uitschelden
verongelijken
grieven
krenken
beledigen 


Voorbeelden in zinsverband

Duits
Nederlands

Ich bin krank.

Ik ben ziek.

Er war vielleicht krank.

Hij was misschien ziek.

Sie wurde sehr krank.

Ze werd heel ziek.

Ich bin krank!

Ik ben ziek.

Warst du mal ernsthaft krank?

Heb je ooit een ernstige ziekte gehad?

Er ist angeblich schwer krank.

Men zegt dat hij ernstig ziek is.

Ich glaube, dass Yumi krank ist.

Ik denk dat Yumi ziek is.

Wer sagte dir, dass ich krank sei?

Wie heeft je verteld dat ik ziek was?

Die ganze Familie lag krank im Bett.

Het ganse gezin lag ziek in bed.

Mein Bruder ist seit gestern krank.

Mijn broer is ziek sinds gisteren.

Sie sah aus, als wäre sie lange krank gewesen.

Ze zag eruit alsof ze lange tijd ziek geweest was.

Nicht nur Jim, sondern auch seine Eltern sind krank.

Niet alleen Jim maar ook zijn ouders zijn ziek.

Ich konnte nicht arbeiten gehen, weil ich krank war.

Ik kon niet gaan werken want ik was ziek.

Er konnte nicht kommen, weil er krank war.

Hij kon niet komen, omdat hij ziek was.