Vertaling van wagen

Inhoud:

Duits
Nederlands
riskieren, wagen, dem Zufall überlassen, aufs Spiel setzen {ww.}
wagen 
riskeren
op het spel zetten
risico lopen
kans lopen

wir wagen
sie wagen

wij wagen
zij wagen
» meer vervoegingen van wagen

Sie sind das fünfte Rad am Wagen.
Jij bent het derde wiel aan de wagen.
Bitte sage mir, wo ich meinen Wagen parken kann.
Vertel me alstublieft waar ik mijn wagen moet parkeren.
Bahnwagen [m] (der ~), Wagen [m] (der ~), Wagon, Waggon [m] (der ~) {zn.}
wagon [m]
spoorwagen [m]
Fuhrwerk [o] (das ~), Gefährt, Wagen [m] (der ~) {zn.}
wagen 
vehikel
voertuig
rijtuig
Handwagen [m] (der ~), Transportwagen, Wagen [m] (der ~) {zn.}
wagen 
schrijfmachinewagen
Fuder [m] (der ~), Fuhre [v] (die ~), Karren [m] (der ~), Wagen [m] (der ~), Fuhrwerk [o] (das ~), Förderwagen [m] (der ~), Hund [m] (der ~), Hunt, Laufkatze [v] (die ~) {zn.}
wagen 
kar 
handkar
karretje [o]
wägen, abwägen, wiegen {ww.}
wegen
afwegen
het gewicht bepalen
Auf dem Mond würde ich bloß fünfzehn Kilo wiegen.
Op de maan zou ik maar vijftien kilo wegen.

Voorbeelden in zinsverband

Duits
Nederlands

Tom hat einen Wagen.

Tom heeft een auto.

Toms Wagen heißt „Donnerriese“.

Marco's auto heet "Thunder Giant".

Der Wagen steht bereit.

De auto is klaar.

Wir brauchen einen Wagen.

Wij hebben een auto nodig.

Welchen Wagen hat er genommen?

Welke auto heeft hij genomen?

Wo kann ich einen Wagen mieten?

Waar kan ik een auto huren?

Ich habe ihr einen neuen Wagen gekauft.

Ik heb een nieuwe auto voor haar gekocht.

Sie sind das fünfte Rad am Wagen.

Jij bent het derde wiel aan de wagen.

Weißt du, wessen Wagen das hier ist?

Weten jullie van wie deze auto is?

Weil der Wagen nicht ansprang, fuhren wir mit dem Bus.

Omdat de auto niet startte, zijn we met de bus gegaan.

Bitte sage mir, wo ich meinen Wagen parken kann.

Vertel me alstublieft waar ik mijn wagen moet parkeren.

Vier Leute befanden sich in dem Wagen, als sich der Unfall ereignete.

Er waren vier mensen in de auto wanneer het ongeval gebeurde.