Vertaling van cooking

Inhoud:

Engels
Nederlands
cooking, cuisine {zn.}
cuisine
kookkunst
cooking {zn.}
kokerij [v]
to cook {ww.}
koken
opstaan
Bob can cook.
Bob kan koken.
He wants to learn how to cook.
Hij wil leren koken.
to cook {ww.}
koken
My hobby is to cook.
Mijn hobby is koken.
I don't know how to cook.
Ik kan niet koken.
cookery, cooking, preparation {zn.}
koken
bereiden
brouwen
toebereiden
klaarmaken
I am cooking now.
Ik ben aan het koken.
What are you cooking?
Wat zijn jullie aan het koken?
to cook, to fix, to make, to prepare, to ready {ww.}
prepareren


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

I am cooking now.

Ik ben aan het koken.

What are you cooking?

Wat zijn jullie aan het koken?

My mother is cooking breakfast.

Mijn moeder maakt het ontbijt klaar.

She likes cooking for her family.

Ze kookt graag voor haar gezin.

Mary doesn't use salt in her cooking.

Mary kookt zonder zout.

Have you learned cooking or anything?

Heb jij leren koken ofzo?

My mother is busy cooking supper.

Mijn moeder is bezig het avondeten te koken.


Gerelateerd aan cooking

cuisine - cook - cookery - preparation - fix - make - prepare - readyprocess - fix