Vertaling van dog

Inhoud:

Engels
Nederlands
dog, hound {zn.}
hond  [m]
He has a dog.
Hij heeft een hond.
The dog is white.
De hond is wit.
canine, dog {bn.}
honde-
honden-
dog, frank, frankfurter, hot dog, hotdog, weenie, wiener, wienerwurst {zn.}
knakworst [m] (de ~)
dog, frump {zn.}
trut [v] (de ~)
boerentrien [v] (de ~)
kuttekop
kuttenkop
totebel
trien [v] (de ~)
troel
troela [v] (de ~)
truttebol
tut [v] (de ~)
tuttebel [v] (de ~)
to chase, to chase after, to dog, to give chase, to go after, to tag, to tail, to track, to trail {ww.}
narennen
nahollen
naijlen
achteraanrennen

I dog
you dog
we dog

ik ren na
jij rent na
wij rennen na
» meer vervoegingen van narennen

to chase, to chase after, to dog, to give chase, to go after, to tag, to tail, to track, to trail {ww.}
achternazitten
nazetten
nazitten
achternazetten

I dog
you dog
we dog

ik zit achterna
jij zit achterna
wij zitten achterna
» meer vervoegingen van achternazitten

to chase, to chase after, to dog, to give chase, to go after, to tag, to tail, to track, to trail {ww.}
schaduwen

I dog
you dog
we dog

ik schaduw
jij schaduwt
wij schaduwen
» meer vervoegingen van schaduwen

to chase, to chase after, to dog, to give chase, to go after, to tag, to tail, to track, to trail {ww.}
achtervolgen

I dog
you dog
we dog

ik achtervolg
jij achtervolgt
wij achtervolgen
» meer vervoegingen van achtervolgen

to chase, to chase after, to dog, to give chase, to go after, to tag, to tail, to track, to trail {ww.}
achternalopen
nalopen

I dog
you dog
we dog

ik loop achterna
jij loopt achterna
wij lopen achterna
» meer vervoegingen van achternalopen

canis familiaris, dog, domestic dog {zn.}
hond [m] (de ~)
joekel
The dog was dead.
De hond was dood.
I saw a dog.
Ik zag een hond.
click, detent, dog, pawl {zn.}
arrêt
pal [m] (de ~)
click, detent, dog, pawl {zn.}
klink

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

What a big dog!

Wat een grote hond!

That dog stinks!

Die hond stinkt!

The dog is dead.

De hond is dood.

The dog went away.

De hond ging weg.

I have a dog.

Ik heb een hond.

This is your dog.

Dit is jouw hond.

Where is your dog?

Waar is jouw hond?

Where is my dog?

Waar is mijn hond?

The dog is dying.

De hond is aan het sterven.

He has a dog.

Hij heeft een hond.

This dog is mine.

Deze hond is van mij.

I like this dog.

Ik houd van deze hond.

The dog is white.

De hond is wit.

The dog was dead.

De hond was dood.

I saw a dog.

Ik zag een hond.


Gerelateerd aan dog

hound - canine - frank - frankfurter - hot dog - hotdog - weenie - wiener - wienerwurst - frump - chase - chase after - give chase - go after - tagadult female - run - follow - hinder - walk - pet - mammal - carnivore - pin - rod