Vertaling van one-half

Inhoud:

Engels
Nederlands
half, one-half {zn.}
helft [m] (de ~)
tweede
Their financial problems began in the second half of the year.
Hun financiële problemen begonnen in de tweede helft van het jaar.
Cut it in half.
Snij het door de helft.
half, one-half {zn.}
kinderkaart

Gerelateerd aan one-half

halfcomponent - amount - ticket