Vertaling van tomar

Inhoud:

Spaans
Nederlands
tomar, tragar {ww.}
innemen
inslikken
binnenkrijgen
Tiene que tomar un comprimido con un vaso de agua dos o tres veces al día.
U moet twee- à driemaal daags een tablet innemen met een glas water.
coger, tomar, asir {ww.}
nemen 
pakken
vatten 
oprapen
aanvatten
Tienes que coger el autobús número 5.
Jullie moeten bus 5 nemen.
¿Dónde puedo tomar el autobús número 7?
Waar kan ik bus nummer 7 pakken?
aceptar, admitir, tomar, acoger, recibir {ww.}
ontvangen 
aannemen 
accepteren 
Si es posible, me gustaría recibir nueva información acerca de este caso.
Indien mogelijk zou ik graag nieuwe informatie over deze zaak ontvangen.
aspirar con fuerza por la nariz, husmear, tomar {ww.}
opsnuiven


Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

Me gusta tomar fotos.

Ik maak graag foto's.

Me gustaría tomar algo.

Ik zou graag iets te drinken hebben.

No sabíamos qué autobús tomar.

We wisten niet welke bus we moesten nemen.

Tom tuvo que tomar una difícil decisión.

Tom moest een moeilijke keuze maken.

No hay suficiente luz para tomar fotos.

Het is niet licht genoeg om foto's te nemen.

Vamos a tomar vino o cerveza.

Laten we wijn of bier drinken.

¿O tienes que tomar el bus?

Of moet je de bus nemen?

Llámame a las cuatro; debo tomar el primer tren.

Bel me om vier uur. Ik moet de eerste trein nemen.

Tom se vio forzado a tomar una decisión radical.

Tom werd gedwongen een radicale beslissing te maken.

Tiene que tomar un comprimido con un vaso de agua dos o tres veces al día.

U moet twee- à driemaal daags een tablet innemen met een glas water.

De un momento a otro, fui obligado a tomar una actitud que cambiaría mi vida para siempre.

Plotseling was ik genoodzaakt een gedrag aan te nemen dat mijn leven voorgoed zou veranderen.


Gerelateerd aan tomar

tragar - coger - asir - aceptar - admitir - acoger - recibir - aspirar con fuerza por la nariz - husmear