Vertaling van una

Inhoud:

Spaans
Nederlands
un, una {lidw.}
een 
'n
un, una, uno {telw.}
een 
één
juntar, unir {ww.}
verenigen
bijeenbrengen 
samenbrengen
aaneenvoegen
reunir, unir {ww.}
verenigen
uña [v] (la ~) {zn.}
nagel  [m]


Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

Necesito una bolsa. ¿Me puedes prestar una?

Ik heb een koffer nodig. Leen je mij er een?

Una nube es una masa de vapor.

Een wolk is een massa damp.

¿Tienes una idea mejor?

Heb je een beter voorstel?

Tú eres una persona.

Gij zijt een persoon.

Tengo una pregunta.

Ik heb een vraag.

Dame una chance.

Geef mij een kans.

Soy una perdedora.

Ik ben een verliezer.

Le envié una muñeca.

Ik heb haar een pop gezonden.

Os merecéis una medalla.

Jij verdient een medaille.

Tengo una hermana.

Ik heb één zus.

Tienes una buena memoria.

Ge hebt een goed geheugen.

Eres una niña divertida.

Je bent een grappig meisje.

Hoy tengo una reunión.

Ik heb vandaag een vergadering.

¿Puedo hacerte una pregunta?

Mag ik je iets vragen?

Estoy bebiendo una cerveza.

Op dit moment ben ik een bier aan het drinken.


Gerelateerd aan una

un - uno - juntar - unir - reunir - uña