Vertaling van fait
il/elle fait
hij/zij/het doet
» meer vervoegingen van doen
il/elle fait
hij/zij/het doet
» meer vervoegingen van doen
Voorbeelden in zinsverband
Il fait chaud aujourd'hui.
Het is heet vandaag.
Vous l'avez fait !
Het is je gelukt!
Il fait trop chaud.
Het is te heet.
Il fait assez froid.
Het is vrij koud.
Que fait-il ?
Wat is hij aan het doen?
Ça m'a fait rire.
Dat bracht me aan het lachen.
Vous avez tout fait foirer.
Je hebt alles verpest.
J’ai fait un rêve horrible.
Ik heb afschuwelijk gedroomd.
C'est comme si c'était fait.
Zo gezegd, zo gedaan.
Il fait un peu froid.
Het is een beetje koud.
Tu as fait tes devoirs ?
Heb je je huiswerk gedaan?
Je l'ai fait moi-même.
Ik heb het zelf gemaakt.
Qu'avez-vous fait dimanche dernier ?
Wat heb je afgelopen zondag gedaan?
J'ai fait réparer mon ordinateur.
Ik heb mijn computer laten repareren.
J'ai fait réparer la porte.
Ik heb de deur laten repareren.