Vertaling van revêtir

Inhoud:

Frans
Nederlands
revêtir {ww.}
bepleisteren
stukadoren
pleisteren
habiller, revêtir, vêtir {ww.}
staan
aankleden 
omkleden
kleden
recouvrir, revêtir, tapisser {ww.}
overtrekken
bekleden 
appliquer, imposer, mettre, revêtir {ww.}
aantrekken 
aanbrengen 
opbrengen
opleggen
aandoen
Que vais-je mettre: un pantalon ou une jupe ?
Wat zal ik aantrekken: een broek of een rok?
accepter, accueillir, admettre, agréer, recevoir, recueillir, adopter, prendre, revêtir, comporter, souffrir, assumer {ww.}
ontvangen 
aannemen 
accepteren 
Je viens de recevoir votre lettre.
Ik heb zojuist uw brief ontvangen.