Vertaling van doen

Inhoud:

Nederlands
Duits
doen, laten, laten doen, maken {ww.}
machen
veranlassen

wij doen
jullie doen
zij doen

wir machen
ihr macht
sie machen
» meer vervoegingen van machen

Wat moet ik doen?
Was muss ich machen?
Laten we koffiepauze houden.
Lass uns eine Kaffeepause machen.
leggen, steken, plaatsen, stellen, stoppen, zetten, doen {ww.}
stellen
setzen
stecken
legen

wij doen
jullie doen
zij doen

wir stellen
ihr stellt
sie stellen
» meer vervoegingen van stellen

Ik kan mijn handpalmen op de vloer plaatsen zonder mijn knieën te buigen.
Ich kann meine Handflächen auf den Boden setzen, ohne meine Knie zu beugen.
Mag ik een paar vragen stellen?
Kann ich ein paar Fragen stellen?
handelen, ageren, doen, bezig zijn, optreden, te werk gaan {ww.}
machen
handeln
einwirken
sich verhalten
tätig sein
wirken
vorgehen
verfahren
agieren

wij doen
jullie doen
zij doen

wir machen
ihr macht
sie machen
» meer vervoegingen van machen

We moeten snel handelen.
Wir müssen speditiv handeln.
Waarom moet ik dat doen?
Warum muss ich das machen?
optreden, ageren, doen, bezig zijn, handelen, te werk gaan {ww.}
machen
handeln
einwirken
sich verhalten
tätig sein
wirken
vorgehen
verfahren
agieren

wij doen
jullie doen
zij doen

wir machen
ihr macht
sie machen
» meer vervoegingen van machen

Ze doen het elke week.
Sie machen es jede Woche.
Wat ga je vanavond doen?
Was werden Sie heute Abend machen?
maken, aanmaken, bedrijven, doen, uitbrengen, uitrichten, uitvoeren {ww.}
tun
machen
geben
erledigen
ernennen
erregen
hervorrufen
bewirken
ordnen
brauen
abstatten
verrichten
ausführen
bereiten
stellen
halten
begehen
schneiden
schließen
zurechtmachen
anfertigen
zubereiten
herstellen
verursachen
erzeugen
veranlassen
hervorbringen
anrichten
erschaffen
abhalten
unterbreiten

wij doen
jullie doen
zij doen

wir tun
ihr tut
sie tun
» meer vervoegingen van tun

Wat moet ik doen?
Was muss ich tun?
Wat wil je doen?
Was willst du tun?
tussenkomen, optreden, ageren, doen, bezig zijn, handelen, te werk gaan {ww.}
machen
handeln
einwirken
sich verhalten
tätig sein
wirken
vorgehen
verfahren
agieren

wij doen
jullie doen
zij doen

wir machen
ihr macht
sie machen
» meer vervoegingen van machen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Duits

Wat moet ik doen?

Was muss ich machen?

Wat moet ik doen?

Was muss ich tun?

Wat wil je doen?

Was willst du tun?

Mijn voeten doen pijn.

Meine Füße tun weh.

Doe wat ge moet doen.

Tu, was du tun musst!

We moeten iets doen, Tom.

Wir müssen etwas tun, Tom.

Laat hem het alleen doen.

Soll er es allein tun!

Wat ga je vanavond doen?

Was werden Sie heute Abend machen?

Ik heb veel dingen te doen.

Ich habe viel zu tun.

Een van ons tweeën moet het doen.

Einer von uns zwei muss das machen.

We zouden iets dan dit gaan doen.

Wir sollten etwas wie das machen.

Ik vond dat ik dat moest doen.

Ich dachte, ich muss es tun.

Ik moet morgen een hoop werk doen.

Ich habe morgen viel zu tun.

Tom kan er niets aan doen.

Tom kann doch nichts dafür.

Ik wilde je niet doen schrikken.

Ich wollte dich nicht beunruhigen.


Gerelateerd aan doen

laten - laten doen - maken - leggen - steken - plaatsen - stellen - stoppen - zetten - handelen - ageren - bezig zijn - optreden - te werk gaan - aanmakenhandelen