Vertaling van bel

Inhoud:

Nederlands
Engels
bel [v], klok [v] {zn.}
bell 
We kunnen elke morgen de klok van de kerk horen.
We can hear the church bell every morning.
bel [v], schel {zn.}
alarm 
bel [v], rinkelbel [v], schel [v] {zn.}
bell 
bel [m] (de ~), luchtbel {zn.}
bubble 
bel {zn.}
bel
telefoneren, bellen {ww.}
to phone 
to telephone 
to ring 

ik bel

I phone
» meer vervoegingen van to phone

Waar kunnen we telefoneren ?
Where can we make a phone call?
Waar kan ik bellen?
Where can I do a phone call?
bellen, doen rinkelen, rinkelen met, tokkelen {ww.}
to strum
to ring 

ik bel

I strum
» meer vervoegingen van to strum

bellen, aanbellen, luiden, schellen {ww.}
to give a ring
to ring the bell
to toll

ik bel

I toll
» meer vervoegingen van to toll

bellen {ww.}
to call

ik bel

I call
» meer vervoegingen van to call

Ik moet bellen.
I have to make a call.
Ik zal hem vanavond bellen.
I'll call him tonight.
opbellen, telefoneren, draaien, bellen {ww.}
to call
to call up
to phone
to ring
to telephone

ik bel

I call
» meer vervoegingen van to call

bellen {ww.}
to call

ik bel

I call
» meer vervoegingen van to call

aanbellen, aanschellen, schellen, bellen {ww.}
to call
to call up
to phone
to ring
to telephone

ik bel

I call
» meer vervoegingen van to call



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Bel me morgen.

Call me tomorrow.

In geval van brand, bel 119.

In case of fire, dial 119.

Ik bel je binnen een week.

I will call you within a week.

Blijf daar niet zo staan, bel de beveiliging!

Don't just stand there. Call security.

Bel me onmiddellijk nadat je hem hebt ontmoet.

Call me immediately after you meet him.

Ik bel ze morgen, als ik weer terug ben.

I'll call them tomorrow when I come back.

Ik bel om te zeggen dat ik mijn kredietkaart verloren heb.

I'm calling because I've lost my credit card.

Bel me om vier uur. Ik moet de eerste trein nemen.

Call me at four; I must take the first train.