Vertaling van bellen
wij bellen
jullie bellen
zij bellen
we strum
you strum
they strum
» meer vervoegingen van to strum
to ring the bell
to give a ring
wij bellen
jullie bellen
zij bellen
we toll
you toll
they toll
» meer vervoegingen van to toll
wij bellen
jullie bellen
zij bellen
we phone
you phone
they phone
» meer vervoegingen van to phone
wij bellen
jullie bellen
zij bellen
we call
you call
they call
» meer vervoegingen van to call
wij bellen
jullie bellen
zij bellen
we call
you call
they call
» meer vervoegingen van to call
to phone
to telephone
to ring
to call up
wij bellen
jullie bellen
zij bellen
we call
you call
they call
» meer vervoegingen van to call
to call up
to phone
to ring
to telephone
wij bellen
jullie bellen
zij bellen
we call
you call
they call
» meer vervoegingen van to call
doorbell
bell
brandy snifter
snifter
decibel
Voorbeelden in zinsverband
Waar kan ik bellen?
Where can I do a phone call?
Ik moet bellen.
I have to make a call.
Bedankt voor het bellen.
Thank you for calling.
Ik zal hem vanavond bellen.
I'll call him tonight.
Hij zei dat hij morgen zou bellen.
He said he would call tomorrow.
Vraag Tom me te bellen. Hij heeft mijn nummer.
Ask Tom to call me. He has my number.
Als hij me echt graag had, zou hij me vaker bellen.
If he really liked me he would call me more often.
Moest iemand me bellen tijdens mijn afwezigheid, zeg hem dan dat ik snel weer terug zal zijn.
Should anyone call on me in my absence, tell him that I will be back soon.