Vertaling van gekookt

Inhoud:

Nederlands
Engels
gekookt {bn.}
cooked 
koken, opstaan {ww.}
to cook 

ik heb gekookt
jij hebt gekookt
hij/zij/het heeft gekookt

I have cooked
you have cooked
he/she/it has cooked
» meer vervoegingen van to cook

Bob kan koken.
Bob can cook.
Mijn hobby is koken.
My hobby is to cook.
koken, doen koken {ww.}
to boil

ik heb gekookt
jij hebt gekookt
hij/zij/het heeft gekookt

I have boiled
you have boiled
he/she/it has boiled
» meer vervoegingen van to boil

Je moet misschien water laten koken.
You may need to boil water.
borrelen, koken, op het kookpunt zijn, zieden {ww.}
to boil

ik heb gekookt
jij hebt gekookt
hij/zij/het heeft gekookt

I have boiled
you have boiled
he/she/it has boiled
» meer vervoegingen van to boil

koken {ww.}
to cook 

ik heb gekookt
jij hebt gekookt
hij/zij/het heeft gekookt

I have cooked
you have cooked
he/she/it has cooked
» meer vervoegingen van to cook

Hij wil leren koken.
He wants to learn how to cook.
Ik kan niet koken.
I don't know how to cook.
zieden, koken {ww.}
to boil

ik heb gekookt
jij hebt gekookt
hij/zij/het heeft gekookt

I have boiled
you have boiled
he/she/it has boiled
» meer vervoegingen van to boil

koken {ww.}
to boil

ik heb gekookt
jij hebt gekookt
hij/zij/het heeft gekookt

I have boiled
you have boiled
he/she/it has boiled
» meer vervoegingen van to boil

opkoken, koken {ww.}
to boil

ik heb gekookt
jij hebt gekookt
hij/zij/het heeft gekookt

I have boiled
you have boiled
he/she/it has boiled
» meer vervoegingen van to boil


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Mijn moeder heeft tien eieren gekookt.

My mother has cooked ten eggs.

Kastanjes moeten minimaal een kwartier gekookt worden.

Chestnuts have to be boiled for at least fifteen minutes.

Omdat jij hebt gekookt, zal ik de afwas doen.

I'll do the dishes, since you’ve cooked.

Omdat jij hebt gekookt, zal ik de afwas doen.

Since you did the cooking, I'll do the dishes.

Neem me niet kwalijk als ik het avondeten niet goed gekookt heb.

Forgive me if I haven't cooked supper well.


Gerelateerd aan gekookt

koken - opstaan - doen koken - borrelen - op het kookpunt zijn - zieden - opkokenzijn - klaarmaken - opkoken - verhit