Vertaling van zijn

Inhoud:

Nederlands
Engels
zijn, z'n, zijne {bez. vnw.}
his 
zijn, 'r, d'r, z'n, haar, zijne, hare {bez. vnw.}
its 
zijn, vormen, uitmaken {ww.}
to be
to make up
to comprise
to constitute
to represent

wij zijn
jullie zijn
zij zijn

we are
you are
they are
» meer vervoegingen van to be

Dat zou oneerlijk zijn.
That would be unfair.
Laat ons eerlijk zijn.
Let's be fair.
zijn {ww.}
to belong
to belong to

wij zijn
jullie zijn
zij zijn

we belong
you belong
they belong
» meer vervoegingen van to belong

zijn, bedragen, komen, kosten, maken, worden, belopen {ww.}
to be
to cost

wij zijn
jullie zijn
zij zijn

we are
you are
they are
» meer vervoegingen van to be

Dat zal € 30,- kosten.
This will cost €30.
De sigaren kosten twee mark.
The cigars cost two Marks.
wezen, zijn {ww.}
to be 

wij zijn
jullie zijn
zij zijn

we are
you are
they are
» meer vervoegingen van to be

Laten we vrienden zijn.
Let's be friends.
Laat ons eerlijk zijn.
Let's be honest.
zijn, wezen {ww.}
to be
to exist

wij zijn
jullie zijn
zij zijn

we are
you are
they are
» meer vervoegingen van to be

Er zijn veel sterren die groter zijn dan onze zon.
There exist several stars which are larger than our Sun.
Feiten houden niet op te bestaan omdat ze genegeerd zijn.
Facts do not cease to exist because they are ignored.
bestaan [o], zijn, existentie {zn.}
existence 
Geloof je in het bestaan van God?
Do you believe in the existence of God?
Zij probeert het bestaan van geesten te bewijzen.
She is trying to prove the existence of ghosts.
haar, hun, zijn, heur, z'n, 'r, d'r {bez. vnw.}
her 
his 
its 
their 
wezenheid [v], wezen [o], zijn {zn.}
entity
occuperen, bezighouden, zijn, ophouden {ww.}
to work

wij zijn
jullie zijn
zij zijn

we work
you work
they work
» meer vervoegingen van to work

Morgen moet het werk af zijn.
The work must be completed by tomorrow.
Mijn vader gaat met de fiets naar zijn werk.
My father goes to work by bike.
pozen, toeven, vertoeven, verwijlen, zijn, zitten, bevinden, wezen, ophouden, verkeren, uithangen {ww.}
to be

wij zijn
jullie zijn
zij zijn

we are
you are
they are
» meer vervoegingen van to be

Moet dit een krentenbol zijn? Je moet haast fietsen van de ene krent naar de andere, zo weinig zitten er in.
Is this supposed to be a currant bun? You almost need to cycle from one currant to another, so few are there.
Het gaat bewolkt zijn.
It will be cloudy.

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Zijn schoenen zijn bruin.

His shoes are brown.

Zijn voorspellingen zijn uitgekomen.

His predictions have come true.

Programmeertalen zijn zijn hobby.

Programming languages are his hobby.

Zijn ogen zijn groter dan zijn maag.

The eye is bigger than the belly.

Zijn kinderen zijn groot geworden.

His children have grown up.

Zijn beide ouders zijn dood.

Both his parents are dead.

Zijn beelden zijn erg beroemd.

His pictures are very famous.

Zijn beide grootvaders zijn dood.

Both his grandfathers are dead.

Zowel zijn vader als moeder zijn gestorven.

Both his father and mother are dead.

Zijn jullie voor of tegen zijn idee?

Are you for or against his idea?

Zijn toestand had erger kunnen zijn.

His condition could have been worse.

Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht.

Who hurts his nose, also hurts his face.

Zijn vader schijnt advokaat te zijn.

It seems that his father is a lawyer.

Zijn ideeën zijn moeilijk te begrijpen.

His ideas are difficult to understand.

Tien jaar zijn verstreken sinds zijn dood.

Ten years have gone by since his death.


Gerelateerd aan zijn

z'n - zijne - 'r - d'r - haar - hare - vormen - uitmaken - bedragen - komen - kosten - maken - worden - belopen - wezenbehelzen - zijn - handelen