Vertaling van vormen

Inhoud:

Nederlands
Engels
vormen, vormgeven {ww.}
to cut 
to make to measure

wij vormen
jullie vormen
zij vormen

we cut
you cut
they cut
» meer vervoegingen van to cut

bekrachtigen, bevestigen, erkennen, staven, vormen {ww.}
to confirm 
to establish 
to corroborate 
to affirm 
to acknowledge 
to uphold

wij vormen
jullie vormen
zij vormen

we confirm
you confirm
they confirm
» meer vervoegingen van to confirm

uitmaken, vormen {ww.}
to constitute
to make up
to account for

wij vormen
jullie vormen
zij vormen

we constitute
you constitute
they constitute
» meer vervoegingen van to constitute

aangaan, formeren, vormen {ww.}
to form 
to frame 
to shape 
to fashion 
to configure
to mould

wij vormen
jullie vormen
zij vormen

we form
you form
they form
» meer vervoegingen van to form

Democratie is de slechtste regeringsvorm, met uitzondering van alle andere vormen die zijn uitgeprobeerd.
Democracy is the worst form of government, except all the others that have been tried.
gedaante [v], vorm (mv. vormen) {zn.}
form 
shape 
configuration
vorm (mv. vormen), gietvorm {zn.}
mould
vorm (mv. vormen) {zn.}
voice 
coupe [v], fatsoen [o], makelij [v], snit, vorm (mv. vormen) {zn.}
cut 
omgangsvormen [m] (de ~), code [m] (de ~), erecode [m] (de ~), gedragscode [m] (de ~), manieren, omgangsvorm, vorm (mv. vormen) [m] (de ~), vormen, manier [v] (de ~) {zn.}
code of behavior
code of conduct
vorm (mv. vormen), conditie [v] (de ~) {zn.}
fitness
physical fitness
vorm (mv. vormen) [m] (de ~) {zn.}
shape
form
Die wolk heeft de vorm van een vis.
That cloud is in the shape of a fish.
De aardbol heeft dezelfde vorm als een sinaasappel.
The globe is similar in shape to an orange.
vorm (mv. vormen) [m] (de ~) {zn.}
cast
mold
mould
vorm (mv. vormen) {zn.}
form
descriptor
signifier
word form
Warmte is een vorm van energie.
Heat is a form of energy.
Vorm een rij die één meter ver is van de rij voor jou.
Form a line one meter away from the one in front of you.

Gerelateerd aan vormen

vormgeven - bekrachtigen - bevestigen - erkennen - staven - uitmaken - aangaan - formeren - gedaante - vorm - gietvorm - coupe - fatsoen - makelij - snitgedrag - gesteldheid - eigenschap - voorwerp - woord