Vertaling van opstaan

Inhoud:

Nederlands
Engels
opstaan, uit bed komen {ww.}
to get up
to rise 

ik zal opstaan
jij zult opstaan
hij/zij/het zal opstaan

I will rise
you will rise
he/she/it will rise
» meer vervoegingen van to rise

Ik wilde niet vroeg opstaan.
I didn't want to get up early.
opstaan, verrijzen {ww.}
to rise 
to resurrect

ik zal opstaan
jij zult opstaan
hij/zij/het zal opstaan

I will rise
you will rise
he/she/it will rise
» meer vervoegingen van to rise

koken, opstaan {ww.}
to cook 

ik zal opstaan
jij zult opstaan
hij/zij/het zal opstaan

I will cook
you will cook
he/she/it will cook
» meer vervoegingen van to cook

Bob kan koken.
Bob can cook.
Mijn hobby is koken.
My hobby is to cook.
gaan staan, opstaan {ww.}
to get up
to stand up
to stand 
to rise 

ik zal opstaan
jij zult opstaan
hij/zij/het zal opstaan

I will stand
you will stand
he/she/it will stand
» meer vervoegingen van to stand

opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen {ww.}
to get up
to rise 
to go up
to ascend 
to arise 

ik zal opstaan
jij zult opstaan
hij/zij/het zal opstaan

I will rise
you will rise
he/she/it will rise
» meer vervoegingen van to rise


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Ik haat vroeg opstaan.

I hate getting up early.

Ik wilde niet vroeg opstaan.

I didn't want to get up early.

Ik vind vroeg opstaan belangrijk.

I believe in early rising.

Vroeg opstaan is goed voor de gezondheid.

Early rising is good for the health.

En vanavond denk ik aan alles dat zij in haar eeuw in Amerika heeft gezien; het lief en het leed; het vallen en het opstaan, de keren dat ons gezegd werd dat we het niet kunnen, en de mensen die voortzetten met die Amerikaanse overtuiging: we kunnen het wel.

And tonight, I think about all that she's seen throughout her century in the United States — the heartache and the hope; the struggle and the progress; the times we were told that we can't, and the people who pressed on with that American creed: Yes we can.


Gerelateerd aan opstaan

uit bed komen - verrijzen - koken - gaan staan - opgaan - opkomen - rijzen - stijgen - wassen