Vertaling van gezicht

Inhoud:

Nederlands
Engels
gezicht [o], schouwspel {zn.}
sight 
vista
feature 
scene 
view 
Het was liefde op het eerste gezicht.
It was love at first sight.
Voor hem was het liefde op het eerste gezicht.
He fell in love with her at first sight.
air [o], gelaatsuitdrukking [v], gezicht [o], uiterlijk, uitzicht {zn.}
appearance 
look 
air 
mien
expression 
Je gezicht is bleek.
You look so pale.
Een voldane blik verscheen op zijn gezicht.
A look of contentment appeared on his face.
zicht, gezicht [o], gezichtsvermogen {zn.}
sight 
vision 
view 
Ik ken hem van gezicht maar ik heb nog nooit echt met hem gepraat.
I know him by sight, but I have never actually spoken to him.
Het was het mooiste gezicht dat hij in zijn leven gezien had.
It was the most beautiful sight that he had ever seen in his life.
droombeeld [o], droomgezicht [o], gezicht [o], visioen {zn.}
vision 
gelaat [o], aangezicht [o], gezicht [o], toet [m], facie, porem {zn.}
face 
mug 
countenance 
Was je gezicht.
Wash your face.
Zijn gezicht werd rood.
Her face turned red.
maaien, zichten {ww.}
to mow 
to cut 

ik heb gezicht
jij hebt gezicht
hij/zij/het heeft gezicht

I have mown
you have mown
he/she/it has mown
» meer vervoegingen van to mow

Mijn moeder vertelde me het gras te maaien.
My mother told me to mow the lawn.
Twee keer in de week kwam de tuinman om het gras te maaien, daarom kon ik nooit in het lange gras liggen.
Twice a week the gardener would come to mow the grass, so I could never lie and read in the long grass.
zichten {ww.}
to scythe

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Je gezicht is bleek.

You look so pale.

Was je gezicht.

Wash your face.

Zijn gezicht werd rood.

Her face turned red.

Haar gezicht werd plotseling rood.

Her face suddenly turned red.

De vader wast zijn gezicht.

The father washes his face.

Het was liefde op het eerste gezicht.

It was love at first sight.

Was je gezicht en je handen.

Wash your face and hands.

Alle kleur trok weg uit zijn gezicht.

All the color drained away from his face.

Ik was verliefd op het eerste gezicht.

I fell in love at the first glance.

Een voldane blik verscheen op zijn gezicht.

A look of contentment appeared on his face.

Ik was mijn gezicht iedere ochtend.

I wash my face every morning.

Woede tekende zich af op zijn gezicht.

Anger showed on his face.

De clown trok een grappig gezicht.

The clown made a funny face.

Ryoko heeft een schattig klein gezicht.

Ryoko has a cute little face.

Zij sloeg hem in het gezicht.

She slapped him in the face.


Gerelateerd aan gezicht

schouwspel - air - gelaatsuitdrukking - uiterlijk - uitzicht - zicht - gezichtsvermogen - droombeeld - droomgezicht - visioen - gelaat - aangezicht - toet - facie - poremmaaien