Vertaling van heet

Inhoud:

Nederlands
Engels
heet, warm, warmpjes {bw.}
warmly 
heet, pittig, scherp {bn.}
nutty
geil, welig, heet, opgewonden {bn.}
horny
sexually excited
gloeiend, heet, smoorheet, snikheet {bn.}
hot 
heet, gepeperd {bn.}
peppery
heten, noemen, benoemen, uitmaken voor {ww.}
to call
to term 
to name 
to label
to dub
to designate

ik heet
jij heet
hij/zij/het heet

I call
you call
he/she/it calls
» meer vervoegingen van to call

Ze noemen hem Jim.
They call him Jim.
Mensen noemen hem Dave.
People call him Dave.
gelden, heten, doorgaan, zich aanstellen {ww.}
to sham
to dissemble
to pretend
to affect
to feign
to put on airs
to pose
to attitudinize

ik heet
jij heet
hij/zij/het heet

I dissemble
you dissemble
he/she/it dissembles
» meer vervoegingen van to dissemble

heten, genoemd worden {ww.}
to be called
geil, heet, opgewonden {bn.}
aroused
horny
randy
ruttish
steamy
turned on
verklaren, heten {ww.}
to declare
to announce

ik heet
jij heet
hij/zij/het heet

I declare
you declare
he/she/it declares
» meer vervoegingen van to declare


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Het was heet gisteren.

Yesterday was hot.

Het is heet vandaag.

It's warm today.

Het is te heet.

It is too hot.

De soep is heet.

The soup's very hot.

Hoe heet deze straat?

What's the name of this street, please?

Ik heet Andrea.

My name is Andrea.

Hou je van heet eten?

Do you like spicy food?

Marco's auto heet "Thunder Giant".

The name of Marco's car is 'Thunder Giant'.

De soep is te heet.

The soup is too hot.

Hoe heet deze vis in het Engels?

What is this fish called in English?

De zomerdagen kunnen heel, heel heet zijn.

Summer days can be very, very hot.

Het was heel heet deze middag.

It was very hot this afternoon.

Het was heet. En het was ook heel klam.

It was hot, and in addition, it was humid.

Deze miso soep is te heet om te drinken.

This miso soup is too hot to drink.

Het maakt me niet uit als het heet is.

I don't mind if it's hot.


Gerelateerd aan heet

warm - warmpjes - pittig - scherp - geil - welig - opgewonden - gloeiend - smoorheet - snikheet - gepeperd - heten - noemen - benoemen - uitmaken voorscherp - aandoen - begerig - mededelen