Vertaling van kennen

Inhoud:

Nederlands
Engels
kennen {ww.}
to know

wij kennen
jullie kennen
zij kennen

we know
you know
they know
» meer vervoegingen van to know

We kennen hem.
We know him.
We kennen hem niet.
We don't know him.
bekend zijn met, kennen {ww.}
to know 
to be acquainted with

wij kennen
jullie kennen
zij kennen

we know
you know
they know
» meer vervoegingen van to know

We kennen haar niet.
We don't know her.
We kennen elkaar niet.
We don't know each other.
kennen {ww.}
to inform

wij kennen
jullie kennen
zij kennen

we inform
you inform
they inform
» meer vervoegingen van to inform

beheersen, kennen, machtig zijn {ww.}
to know 

wij kennen
jullie kennen
zij kennen

we know
you know
they know
» meer vervoegingen van to know

We kennen elkaar al.
We already know each other.
kennis [v], wetenschap [v], kennen {zn.}
knowledge
Kennis is macht.
Knowledge is power.
Televisie helpt ons onze kennis te verruimen.
Television helps us widen our knowledge.
herkennen, kennen {ww.}
to recognize
to recognise

wij kennen
jullie kennen
zij kennen

we recognize
you recognize
they recognize
» meer vervoegingen van to recognize

Als ik Anca zou zien, zou ik haar waarschijnlijk niet herkennen.
If I saw Anca, I would probably not recognize her.
bezitten, tellen, kennen {ww.}
to have
to own
to possess

wij kennen
jullie kennen
zij kennen

we have
you have
they have
» meer vervoegingen van to have

Ieren migreerden naar Amerika om land te bezitten.
Irish people migrated to America to have their own property.
Jullie kennen de uitdrukking, dat we oogsten wat we zaaien. Ik heb de wind gezaaid en hier is mijn storm.
You know the phrase, we harvest, that which we sow. I have sown the wind and this is my storm.

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

We kennen hem.

We know him.

We kennen elkaar niet.

We don't know each other.

We kennen hem niet.

We do not know him.

We kennen haar niet.

We do not know her.

Vanwaar kennen jullie elkaar?

Where do you know each other from?

We kennen elkaar al.

We already know each other.

We kennen hem niet.

We don't know him.

We kennen haar niet.

We don't know her.

Waar kennen jullie elkaar van?

How do you know each other?

Hij lijkt ons te kennen.

He seems to know us.

Mijn ouders kennen mijn vriendin.

My parents know my girlfriend.

Kennen jullie mijn broer Masao?

Do you know my brother Masao?

Heel veel mensen kennen hem.

Very many people know him.

Iedere leerling moet het schoolreglement kennen.

Every student is supposed to know the school regulations.

Blij u te leren kennen, Ken.

Nice to meet you, Ken.


Gerelateerd aan kennen

bekend zijn met - beheersen - machtig zijn - kennis - wetenschap - herkennen - bezitten - tellenweten - involveren - reproduceren - hebben