Vertaling van hebben

Inhoud:

Nederlands
Engels
hebben, erop nahouden {ww.}
to have
to have got

wij hebben
jullie hebben
zij hebben

we have
you have
they have
» meer vervoegingen van to have

Ze zouden een betere wisselkoers hebben gekregen als ze naar een bank zouden zijn gegaan.
They would have got a better exchange rate if they had gone to a bank.
Boerderijen hebben schuren.
Farmhouses have barns.
hebben, lijden {ww.}
to have

wij hebben
jullie hebben
zij hebben

we have
you have
they have
» meer vervoegingen van to have

We hebben dertien knuppels.
We have thirteen clubs.
Wij hebben genoeg tijd.
We have enough time.
hebben {ww.}
to have
to own
to possess

wij hebben
jullie hebben
zij hebben

we have
you have
they have
» meer vervoegingen van to have

Ze zal haar eigen manier hebben.
She will have her own way.
Vogels hebben vleugels.
Birds have wings.
hebben, moeten {ww.}
to need

wij hebben
jullie hebben
zij hebben

we need
you need
they need
» meer vervoegingen van to need

Kinderen hebben liefde nodig.
Children need loving.
We hebben geld nodig.
We need money.
winnen, overwinnen, verwinnen, pakken, hebben {ww.}
to win

wij hebben
jullie hebben
zij hebben

we win
you win
they win
» meer vervoegingen van to win

Welk team zal winnen?
Which team will win?
Hij voorspelde dat ze zou winnen.
He predicted she would win.
voeren, hebben {ww.}
to have
to have got
to hold

wij hebben
jullie hebben
zij hebben

we have
you have
they have
» meer vervoegingen van to have

We hebben geen suiker.
We have no sugar.
converseren, hebben, spreken, praten {ww.}
to speak
to talk

wij hebben
jullie hebben
zij hebben

we speak
you speak
they speak
» meer vervoegingen van to speak

Laat ons praten.
Let's talk.
Misschien kunnen we praten.
Maybe we can talk.

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

We hebben gisteren getennist.

We played tennis yesterday.

Boerderijen hebben schuren.

Farmhouses have barns.

Hebben jullie geen dorst?

Aren't you thirsty?

We hebben geld nodig.

We need money.

We hebben geen suiker.

We don't have any sugar.

We hebben dertien knuppels.

We have thirteen clubs.

Wij hebben genoeg tijd.

We have enough time.

We hebben geen suiker.

We have no sugar.

We hebben veel tijd.

We have a lot of time.

We hebben geen suiker.

We don't have sugar.

We hebben twee oren.

We have two ears.

We hebben geen wasdroger.

We don't have a tumble dryer.

Vogels hebben vleugels.

Birds have wings.

Hoeveel pennen hebben jullie?

How many pens do you have?

Kinderen hebben liefde nodig.

Children need loving.


Gerelateerd aan hebben

erop nahouden - lijden - moeten - winnen - overwinnen - verwinnen - pakken - voeren - converseren - spreken - pratenondergaan - voelen - gelukken - hebben - handelen