Vertaling van praten

Inhoud:

Nederlands
Engels
spreken, praten {ww.}
to speak 
to talk 

wij praten
jullie praten
zij praten

we speak
you speak
they speak
» meer vervoegingen van to speak

Laat ons praten.
Let's talk.
Misschien kunnen we praten.
Maybe we can talk.
praten {ww.}
to talk into
babbelen, keuvelen, praten {ww.}
to chat
to chatter
to babble 

wij praten
jullie praten
zij praten

we chat
you chat
they chat
» meer vervoegingen van to chat

Laat ons babbelen.
Let's chat.
Ik ben er, wil je praten?
I'm here. Do you want to chat?
praten, klappen {ww.}
to backbite
to bitch

wij praten
jullie praten
zij praten

we backbite
you backbite
they backbite
» meer vervoegingen van to backbite

converseren, hebben, spreken, praten {ww.}
to speak
to talk

wij praten
jullie praten
zij praten

we speak
you speak
they speak
» meer vervoegingen van to speak

Wij praten graag.
We like to talk.
Kunnen we praten?
Can we talk?

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Misschien kunnen we praten.

Maybe we can talk.

Wij praten graag.

We like to talk.

Kunnen we praten?

Can we talk?

Laat ons praten.

Let's talk.

Hij stopte plotseling met praten.

He suddenly stopped talking.

Tom wil niet erover praten.

Tom doesn't want to talk about it.

Italianen praten zelden over politiek.

The Italians seldom talk about politics.

Stop met praten en luister.

Stop talking and listen.

Niet tegen hem praten terwijl hij rijdt.

Don't talk to him while he's driving.

We zullen er later over praten.

We'll talk about it later.

Laten we er na school over praten.

Let's talk about it after school.

Ik ben er, wil je praten?

I'm here. Do you want to chat?

Met wie was je aan het praten?

Who were you talking with?

Ik wil iemand om mee te praten.

I want someone to talk to.

Ze begon tegen de hond te praten.

She began to talk to the dog.


Gerelateerd aan praten

spreken - babbelen - keuvelen - klappen - converseren - hebbendoorwerken - handelen