Vertaling van onderwijs

Inhoud:

Nederlands
Engels
ontwikkeling [v], onderricht, onderwijs {zn.}
instruction 
onderrichting [v], onderwijs {zn.}
education 
teaching 
instruction 
De bandrecorder is een handig hulpmiddel in het onderwijs.
The tape recorder is a useful aid to teaching.
Ik vind dat examens het onderwijs verpesten.
I think exams are ruining education.
onderwijs [o] (het ~), les [m] (de ~), onderricht [o] (het ~), cursus [m] (de ~) {zn.}
education
teaching
instruction
didactics
pedagogy
educational activity
Het onderwijs in deze wereld valt me tegen.
Education in this world disappoints me.
Onderwijs bestaat niet alleen uit het leren van grote hoeveelheden feitjes.
Education does not consist simply in learning a lot of facts.
leren, onderwijzen {ww.}
to teach 

ik onderwijs

I teach
» meer vervoegingen van to teach

Is meneer Davis naar Japan gekomen om Engels te onderwijzen?
Did Mr. Davis come to Japan to teach English?
Ik kan je leren vechten.
I can teach you how to fight.
onderwijzen, opvoeden {ww.}
to coach
to tutor 

ik onderwijs

I coach
» meer vervoegingen van to coach

onderwijzen, doceren, lesgeven, onderrichten, geven {ww.}
to teach
to instruct
to learn

ik onderwijs

I teach
» meer vervoegingen van to teach

Lesgeven aan jonge kinderen is niet makkelijk.
To teach young children is not easy.

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Ik vind dat examens het onderwijs verpesten.

I think exams are ruining education.

De bandrecorder is een handig hulpmiddel in het onderwijs.

The tape recorder is a useful aid to teaching.

Het onderwijs in deze wereld valt me tegen.

Education in this world disappoints me.

Onderwijs bestaat niet alleen uit het leren van grote hoeveelheden feitjes.

Education does not consist simply in learning a lot of facts.

Elke keer als ik dat liedje hoor denk ik aan terug aan de dagen in het middelbare onderwijs.

Every time I hear that song, I think of my high school days.


Gerelateerd aan onderwijs

ontwikkeling - onderricht - onderrichting - les - cursus - leren - onderwijzen - opvoeden - doceren - lesgeven - onderrichten - gevenbezigheid - bijbrengen