Vertaling van uur

Inhoud:

Nederlands
Engels
uur [o] {zn.}
hour 
o'clock 
time 
Het is een uur.
It's one o'clock.
Het is bijna drie uur.
It's nearly three o'clock.
uur [o] (het ~) {zn.}
time
clock time
Waar zult ge morgen zijn op dit uur?
Where will you be this time tomorrow?
Morgen op dit uur zouden we in Parijs moeten zijn.
We should be in Paris by this time tomorrow.
uur [o] (het ~), lesuur [o] (het ~) {zn.}
lesson
uur [o] (het ~) {zn.}
hour
minute
Zestig minuten maken een uur, en een minuut bestaat uit zestig seconden.
Sixty minutes make an hour, and a minute is made up of sixty seconds.
Ik ben over een uur terug.
I will be back in an hour.
tijdstip [o] (het ~), moment [o] (het ~), ogenblik [o] (het ~), stonde [m] (de ~), tijd [m] (de ~), ure, uur [o] (het ~) {zn.}
moment
minute
second
instant
Voor het ogenblik ben ik op dieet.
I’m on a diet at the moment.
Aardbevingen kunnen zich op elk moment voordoen.
Earthquakes may occur at any moment.
h, uur [o] (het ~) {zn.}
hour
hr
60 minutes
Hij sliep een uur.
He slept an hour.
Een uur heeft zestig minuten.
An hour has sixty minutes.


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Het is een uur.

It's one o'clock.

Het is al zeven uur.

It's already seven.

De film duurde twee uur.

The film lasted 2 hours.

Ik ontbijt om zeven uur.

I have breakfast at seven.

Het telefoongesprek duurde zes uur.

The telephone call lasted six hours.

Het is bijna drie uur.

It's nearly three o'clock.

Het is bijna zes uur.

It's almost six o'clock.

De school begint om negen uur.

School begins at 9.

Ik kwam hier aan rond vijf uur.

I arrived here about five o'clock.

Ik ben over een uur terug.

I will be back in an hour.

Om zes uur ben ik terug.

I'll be back at six.

Ik zal hem om 5 uur oppikken.

I'll pick him up at 5.

Ik heb een uur op haar gewacht.

I waited for her for one hour.

Het is twee uur in de namiddag.

It's two o'clock in the afternoon.

Ik verwachtte je om 11 uur.

I was expecting you at 11:00 a.m.


Gerelateerd aan uur

lesuur - tijdstip - moment - ogenblik - stonde - tijd - ure - htijdstip - h - eenheid - tijd - tijdeenheid - kwartier