Vertaling van moment

Inhoud:

Nederlands
Engels
moment, ogenblik, oogwenk, tel [m], tijdstip, wijl, wip {zn.}
moment 
time 
instant 
Voor het ogenblik ben ik op dieet.
I’m on a diet at the moment.
Aardbevingen kunnen zich op elk moment voordoen.
Earthquakes may occur at any moment.
moment {zn.}
moment 
Mag ik je een moment storen?
May I bother you for a moment?
Ik ben op dit moment op de campus.
I'm on campus at the moment.
happening [m] (de ~), gebeuren [o] (het ~), gebeurtenis [v] (de ~), evenement [o] (het ~), moment [o] (het ~) {zn.}
occasion
social occasion
social function
function
affair
De koninklijke bruiloft was een prachtige gebeurtenis.
The royal wedding was a magnificent occasion.
seconde, tel [m] (de ~), punt [o] (het ~), minuut, ogenblik [o] (het ~), moment [o] (het ~) {zn.}
moment
minute
second
mo
bit
Die klok loopt één minuut voor.
That clock is one minute fast.
Hij kan er elke seconde zijn.
He'll be here any second.
tijdstip [o] (het ~), moment [o] (het ~), ogenblik [o] (het ~), stonde [m] (de ~), tijd [m] (de ~), ure, uur [o] (het ~) {zn.}
moment
minute
second
instant
Je komt precies op tijd.
You've turned up at the right moment.
Een ogenblik alsjeblieft!
One moment please!

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Een aardbeving kan elk moment gebeuren.

An earthquake can happen at any time.

We glimlachten beiden op bijna hetzelfde moment.

Both of us began to smile almost at the same time.

Op dat moment was ik nog wakker.

At that time, I was still awake.

Mag ik je een moment storen?

May I bother you for a moment?

Aardbevingen kunnen zich op elk moment voordoen.

Earthquakes may occur at any moment.

Heb je het druk op het moment?

Are you busy right now?

Ik ben iemand die leeft bij het moment.

I'm a person who lives for the moment.

Het gebouw is op het moment in aanbouw.

The building is under construction.

Ik ben op dit moment op de campus.

I'm on campus at the moment.

Op dit moment ben ik een bier aan het drinken.

I'm drinking a beer right now.

Ze is op dit moment in het ziekenhuis.

She is in hospital now.

Het grootste probleem van het moment is werkloosheid.

The biggest problem of the hour is unemployment.

Mijn vader is niet thuis op het moment.

My dad is not at home for the moment.

Dit is het beslissende moment. Het is nu of nooit.

This is the key point. It's now or never.

We hebben het op het moment erg druk.

We're very busy just now.


Gerelateerd aan moment

ogenblik - oogwenk - tel - tijdstip - wijl - wip - happening - gebeuren - gebeurtenis - evenement - seconde - punt - minuut - stonde - tijdgebeurtenis - tijdstip - tijd