Vertaling van voorbij

Inhoud:

Nederlands
Engels
verder dan, voorbij {vz.}
beyond 
past
afgelopen, laatstleden, verleden, verschenen, vervlogen, voorbij {bn.}
last 
past
langs, voorbij {vz.}
beyond 
by 
past
voorbijschieten, voorbijflitsen {ww.}
to lark about
to skylark
to disport
to romp
to frisk
to cavort
to frolic
to rollick
to gambol
to run around
to lark
to sport

ik flits voorbij
jij flitst voorbij

I disport
you disport
» meer vervoegingen van to disport


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

De zomer is voorbij.

Summer is gone.

Drie weken gingen voorbij.

Three weeks went by.

Vele jaren gingen voorbij.

Many years went by.

De zomer is voorbij.

Summer has ended.

Deze discussie is voorbij.

This discussion is over.

De zomer is voorbij.

Summer is over.

De zomer is voorbij.

The summer is over.

De zomervakantie is voorbij.

The summer vacation is over.

Is het allemaal echt voorbij?

Is it really all over?

De oorlog is in wezen voorbij.

The war is essentially over.

Ik wou dat dit werk voorbij was.

I wish this job was over.

Ze kwam voorbij, zonder mij te zien.

She passed by without seeing me.

En weer ging een dag voorbij.

And another day went by.

We denken dat het ergste voorbij is.

We think we are over the worst.

Ik stopte, en wachtte tot de auto voorbij was.

I stopped and waited for the car to pass.