Vertaling van zeveren

Inhoud:

Nederlands
Engels
kwijlen, speeksel afscheiden, zabberen, zeveren {ww.}
to salivate 
zeuren, griepen, lazeren, meieren, mekken, mieren, neuzelen, zaniken, zemelen, zemelknopen, zieken, mauwen, mekkeren, reutelen, zeiken, emmeren, zeveren, malen, zagen, piepen {ww.}
to nag
to peck
to hen-peck

wij zeveren
jullie zeveren
zij zeveren

we nag
you nag
they nag
» meer vervoegingen van to nag



Gerelateerd aan zeveren

kwijlen - speeksel afscheiden - zabberen - zeuren - griepen - lazeren - meieren - mekken - mieren - neuzelen - zaniken - zemelen - zemelknopen - zieken - mauwenuiten