Vertaling van ziek

Inhoud:

Nederlands
Engels
ziek, krank {bn.}
diseased
morbid
pathologic
pathological
naar, ziek {bn.}
ill 
sick 
unwell
ailing
zeuren, griepen, lazeren, meieren, mekken, mieren, neuzelen, zaniken, zemelen, zemelknopen, zieken, mauwen, mekkeren, reutelen, zeiken, emmeren, zeveren, malen, zagen, piepen {ww.}
to nag
to peck
to hen-peck

ik ziek



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Oh, ik was ziek.

Oh, I was ill.

Ik ben ziek.

I am sick.

Hij was misschien ziek.

He may have been ill.

Ik ben ziek.

I'm ill.

Gisteren was ik ziek.

I was ill yesterday.

Ze werd heel ziek.

She became very ill.

Ik ben ziek.

I'm sick!

Ik denk dat Yumi ziek is.

I think that Yumi is sick.

Ik denk dat ze ziek is.

I think she is sick.

Men zegt dat hij ernstig ziek is.

They say that he is seriously ill.

Het ganse gezin lag ziek in bed.

The whole family was sick in bed.

Mijn broer is ziek sinds gisteren.

My brother has been sick since yesterday.

Ze zag eruit alsof ze lange tijd ziek geweest was.

She looked as if she had been sick for a long time.

Niet alleen Jim maar ook zijn ouders zijn ziek.

Not only Jim but his parents are sick.

Wie heeft je verteld dat ik ziek was?

Who told you that I was sick?


Gerelateerd aan ziek

krank - naar - zeuren - griepen - lazeren - meieren - mekken - mieren - neuzelen - zaniken - zemelen - zemelknopen - zieken - mauwen - mekkerenuiten