Vertaling van verleden
Inhoud:
Nederlands
Spaans
verleden, voorafgaand, voorgaand, vorig, vroeger {bn.}
pasada
anterior
anterior
verleden {zn.}
pasado
pretérito
pretérito
Maak je geen zorgen over het verleden.
No te preocupes por el pasado.
Tom zit vast in het verleden.
Tom está detenido en el pasado.
verleden, verleden tijd {zn.}
pasado
Laat het verleden achter je en ga door.
Deja el pasado atrás y sigue adelante.
We kunnen het verleden en het heden registreren.
Podemos registrar el pasado y el presente.
afgelopen, laatstleden, verleden, verschenen, vervlogen, voorbij {bn.}
pasada
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Spaans
Tom zit vast in het verleden.
Tom está detenido en el pasado.
Heb je verleden nacht naar de televisie gekeken?
¿Viste la televisión la pasada noche?
We kunnen het verleden en het heden registreren.
Podemos registrar el pasado y el presente.