Vertaling van bel

Inhoud:

Nederlands
Frans
bel [v], klok [v] {zn.}
sonnette  [v] (la ~)
cloche  [v] (la ~)
bel [v], schel {zn.}
timbre  [m] (le ~)
timbre avertisseur
sirène  [v] (la ~)
bel [v], rinkelbel [v], schel [v] {zn.}
sonnette  [v] (la ~)
bel [m] (de ~), luchtbel {zn.}
bulle d'air [v] (la ~)
telefoneren, bellen {ww.}
téléphoner 

ik bel

je téléphone
» meer vervoegingen van téléphoner

bellen, aanbellen, luiden, schellen {ww.}
sonner 
sonner à la porte 

ik bel

je sonne
» meer vervoegingen van sonner



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Frans

Bel me morgen.

Appelle-moi demain.

In geval van brand, bel 119.

En cas d'incendie, composez le 119.

Ik bel je binnen een week.

Je vous rappelle dans la semaine.

Ik bel ze morgen, als ik weer terug ben.

Je les appellerai demain quand je reviendrai.


Gerelateerd aan bel

klok - schel - rinkelbel - luchtbel - telefoneren - bellen - aanbellen - luiden - schellen