Vertaling van geloof

Inhoud:

Nederlands
Frans
geloof {zn.}
foi  [v] (la ~)
religie [v], geloof, godsdienst {zn.}
religion  [v] (la ~)
Religie is het opium van het volk.
La religion est l'opium du peuple.
fiducie [v], geloof, vertrouwen {zn.}
foi  [v] (la ~)
Vertrouwen is het nemen van de eerste stap, zelfs als je niet de hele trap kunt zien.
La foi c'est entamer la première marche, même lorsqu'on ne voit pas la totalité de l'escalier.
geloven, houden voor, menen {ww.}
croire 

ik geloof

je crois
» meer vervoegingen van croire

Het is moeilijk te geloven.
C'est difficile à croire.
Eerst zien, dan geloven.
Le voir, c'est le croire.
achten, geloven, van mening zijn, vinden {ww.}
être d'avis 
penser que


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Frans

Ik geloof in spoken.

Je crois aux fantômes.

Geloof me maar gewoon.

Crois-moi juste sur parole.

Ik geloof niet in God.

Je ne crois pas en Dieu.

Geloof mij. Ik word een nieuwe man.

Crois-moi. Je serai un homme nouveau.

Geloof je in het bestaan van God?

Croyez-vous en l'existence de Dieu ?

Hij heeft, geloof ik, in Spanje gewoond.

Il habitait en Espagne, je pense.

Haar geloof in God is erg sterk.

Sa croyance en Dieu est résolue.

Waarom geloof jij niet in God?

Pourquoi ne crois-tu pas en Dieu ?

Ik geloof dat het morgen gaat sneeuwen.

Je crois qu'il va neiger demain.

Ik geloof niet in het bestaan van God.

Je ne crois pas en l'existence de Dieu.

Ik geloof Naomi niet; ik denk dat ze liegt.

Je ne crois pas Naomi. Je crois qu'elle ment.

Ik geloof in de onsterfelijkheid van de ziel.

Je crois en l'immortalité de l'âme.

Geloof hen die waarheid zoeken, pas op voor wie haar vinden.

Croyez ceux qui cherchent la vérité, doutez de ceux qui la trouvent.

"Nou..." zuchtte Dima, keerde zich vervolgens naar de verkoopster en wierp haar een moordzuchtige blik toe, "ik geloof dat ik nu geen keus heb..."

"Bon..." soupira Dima, qui se tourna alors vers le commerçant et lui lança un regard assassin. "Je crois que je n'ai pas le choix désormais..."


Gerelateerd aan geloof

religie - godsdienst - fiducie - vertrouwen - geloven - houden voor - menen - achten - van mening zijn - vinden