aandoening [v], kwaal [v], ziekte [v] {zn.} maladie [v] (la ~)
infirmité [v] (l' ~)
Ze lijdt aan een besmettelijke ziekte.
Elle souffre d'une maladie contagieuse.
Heb je ooit een ernstige ziekte gehad?
Avez-vous jamais souffert d'une maladie sérieuse ?