Vertaling van ziekte

Inhoud:

Nederlands
Frans
aandoening [v], kwaal [v], ziekte [v] {zn.}
maladie  [v] (la ~)
infirmité  [v] (l' ~)
Ze lijdt aan een besmettelijke ziekte.
Elle souffre d'une maladie contagieuse.
Heb je ooit een ernstige ziekte gehad?
Avez-vous jamais souffert d'une maladie sérieuse ?


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Frans

Ze lijdt aan een besmettelijke ziekte.

Elle souffre d'une maladie contagieuse.

Heb je ooit een ernstige ziekte gehad?

Avez-vous jamais souffert d'une maladie sérieuse ?

De patient overwon eindelijk zijn ziekte.

Le patient a finalement vaincu sa maladie.

Mijn baby heeft een erfelijke ziekte.

Mon bébé souffre d'une maladie héréditaire.

Hoe weet je dat de patiënt de ziekte niet veinst?

Comment savez-vous que le patient ne feint pas la maladie ?

De patiënt zal vlug herstellen van zijn ziekte.

Le patient va bientôt se remettre de sa maladie.

De ziekte is nog altijd in de eerste fase.

La maladie n'en est qu'à sa phase initiale.


Gerelateerd aan ziekte

aandoening - kwaal