Vertaling van reizen

Inhoud:

Nederlands
Frans
reizen {ww.}
voyager 

wij reizen
jullie reizen
zij reizen

nous voyageons
vous voyagez
ils/elles voyagent
» meer vervoegingen van voyager

Ik hou van reizen.
J’aime voyager.
Ik wil met je reizen.
Je veux voyager avec vous.
reis (mv. reizen), tocht, toer, trip {zn.}
voyage  [m] (le ~)
Ik reis vaak.
Je voyage souvent.
Ze hebben hun trip vanwege Regen afgebroken.
Leur voyage fut annulé en raison de la pluie.


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Frans

Ik hou van reizen.

J’aime voyager.

Ik wil met je reizen.

Je veux voyager avec vous.

Mijn droom is om in een spaceshuttle te reizen.

Mon rêve c'est de voyager dans une navette spatiale.

Mijn broer is oud genoeg om alleen te reizen.

Mon frère est assez grand pour voyager seul.


Gerelateerd aan reizen

reis - tocht - toer - trip