rijtuig, vehikel, voertuig, wagen {zn.} voiture [v] (la ~)
bagnole [v] (la ~)
véhicle [m] (le ~)
Hij heeft een buitenlandse wagen.
Il a une voiture étrangère.
Vertel me alstublieft waar ik mijn wagen moet parkeren.
Merci de me dire où je dois garer ma voiture.