Vertaling van aan de wandel zijn
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
lopen, wandelen, tippelen, aan de wandel zijn {ww.}
lopen
wandelen
tippelen
aan de wandel zijn {ww.}
wandelen
tippelen
aan de wandel zijn {ww.}
Hij ging wandelen.
Hij ging wandelen.
Wil je echt wandelen?
Wil je echt wandelen?