Vertaling van arts
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
dokter , arts , medicus , geneesheer {zn.}
dokter
arts
medicus
geneesheer {zn.}
arts
medicus
geneesheer {zn.}
Roep de dokter!
Roep de dokter!
Dokter, ik heb buikpijn.
Dokter, ik heb buikpijn.
dokter , arts , pil , medicus , heelmeester , geneeskundige , geneesheer , esculaap {zn.}
dokter
arts
pil
medicus
heelmeester
geneeskundige
geneesheer
esculaap {zn.}
arts
pil
medicus
heelmeester
geneeskundige
geneesheer
esculaap {zn.}
Mijn vader is dokter.
Mijn vader is dokter.
Ze is dokter.
Ze is dokter.
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Nederlands
Ik ben arts.
Ik ben arts.
Ik ben arts.
Ik ben arts.
Mijn vrouw is arts.
Mijn vrouw is arts.
Ik dacht dat hij een arts was.
Ik dacht dat hij een arts was.
Is er een arts aan boord?
Is er een arts aan boord?
Tom heeft een glansrijke carrière als arts.
Tom heeft een glansrijke carrière als arts.
Hij is geen arts maar leraar.
Hij is geen arts maar leraar.
De arts heeft zijn ziekte genezen.
De arts heeft zijn ziekte genezen.