Vertaling van bagage

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
bagage [v] {zn.}
bagage [v] {zn.}
Mijn bagage ontbreekt.
Mijn bagage ontbreekt.
Hij droeg haar bagage naar de trein.
Hij droeg haar bagage naar de trein.
bagage {zn.}
bagage {zn.}
Ik wil weten wanneer mijn bagage zal aankomen.
Ik wil weten wanneer mijn bagage zal aankomen.
Ik hielp hem zijn bagage naar boven te dragen.
Ik hielp hem zijn bagage naar boven te dragen.
bagage [v] (de ~), passagiersgoed {zn.}
bagage [v] (de ~)
passagiersgoed {zn.}
weten (narticle ~), kennis [v] (de ~), bagage [v] (de ~) {zn.}
weten (narticle ~)
kennis [v] (de ~)
bagage [v] (de ~) {zn.}
Niemand kan alles weten.
Niemand kan alles weten.
Weten ze over ons?
Weten ze over ons?


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Mijn bagage ontbreekt.

Mijn bagage ontbreekt.

Hij droeg haar bagage naar de trein.

Hij droeg haar bagage naar de trein.

Ik wil weten wanneer mijn bagage zal aankomen.

Ik wil weten wanneer mijn bagage zal aankomen.

Ik hielp hem zijn bagage naar boven te dragen.

Ik hielp hem zijn bagage naar boven te dragen.


Gerelateerd aan bagage

passagiersgoed - weten - kennisspullen - gedachte