Vertaling van flauw

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
flauw {bn.}
flauw {bn.}
flauw, dom, onnozel, simpel, stompzinnig {bn.}
flauw
dom
onnozel
simpel
stompzinnig {bn.}
flauw, lijzig, loom, lusteloos, slap, sloom, traag, vadsig {bn.}
flauw
lijzig
loom
lusteloos
slap
sloom
traag
vadsig {bn.}
flauw, ongezouten, zouteloos, zoutloos, zoutvrij {bn.}
flauw
ongezouten
zouteloos
zoutloos
zoutvrij {bn.}
flauw {bn.}
flauw {bn.}
flauw {bn.}
flauw {bn.}
flauw {bn.}
flauw {bn.}
zwijmen, flauwvallen, bezwijmen, in zwijm vallen, bewusteloos raken {ww.}
zwijmen
flauwvallen
bezwijmen
in zwijm vallen
bewusteloos raken {ww.}

ik bezwijm
ik bezwijmde
jij bezwijmt

ik zwijm
ik zwijmde
jij zwijmt
» meer vervoegingen van zwijmen

wee, flauw {bn.}
wee
flauw {bn.}
smakeloos, smaakloos, flauw {bn.}
smakeloos
smaakloos
flauw {bn.}
bezwijmen, ineenzakken, flauwvallen {ww.}
bezwijmen
ineenzakken
flauwvallen {ww.}

ik bezwijm
jij bezwijmt
hij/zij/het bezwijmt

ik bezwijm
jij bezwijmt
hij/zij/het bezwijmt
» meer vervoegingen van bezwijmen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Ik heb geen flauw benul.

Ik heb geen flauw benul.

Ik heb geen flauw idee.

Ik heb geen flauw idee.

Ik denk dat ik flauw ga vallen.

Ik denk dat ik flauw ga vallen.

Tom viel flauw van de hitte.

Tom viel flauw van de hitte.

Ik heb geen flauw idee waarom het zo is.

Ik heb geen flauw idee waarom het zo is.

Hij viel in het midden van zijn toespraak flauw.

Hij viel in het midden van zijn toespraak flauw.

Ik heb geen flauw idee hoe ik moet golfen.

Ik heb geen flauw idee hoe ik moet golfen.

We zagen een flauw licht voorbij de rivier.

We zagen een flauw licht voorbij de rivier.

Hij viel flauw van honger en vermoeidheid, maar even later kwam hij weer bij.

Hij viel flauw van honger en vermoeidheid, maar even later kwam hij weer bij.


Gerelateerd aan flauw

dom - onnozel - simpel - stompzinnig - lijzig - loom - lusteloos - slap - sloom - traag - vadsig - ongezouten - zouteloos - zoutloos - zoutvrijneervallen