Vertaling van gaan naar
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
gaan naar, aanpakken, benaderen, naderen, genaken {ww.}
gaan naar
aanpakken
benaderen
naderen
genaken {ww.}
aanpakken
benaderen
naderen
genaken {ww.}
We gaan naar de bioscoop.
We gaan naar de bioscoop.
Alle kinderen gaan naar school in Japan.
Alle kinderen gaan naar school in Japan.
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Nederlands
We gaan naar de bioscoop.
We gaan naar de bioscoop.
Alle kinderen gaan naar school in Japan.
Alle kinderen gaan naar school in Japan.
Zij gaan naar de kerk op zondagochtend.
Zij gaan naar de kerk op zondagochtend.
We gaan naar de film. Kom gezellig mee.
We gaan naar de film. Kom gezellig mee.