Vertaling van gommen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
met gom bestrijken, gommen {ww.}
met gom bestrijken
gommen {ww.}

ik gom
jij gomt
hij/zij/het gomt

ik gom
jij gomt
hij/zij/het gomt
» meer vervoegingen van gommen

gommen {ww.}
gommen {ww.}

ik gom
jij gomt
hij/zij/het gomt

ik gom
jij gomt
hij/zij/het gomt
» meer vervoegingen van gommen

gommen, stuffen, uitvlakken, gummen {ww.}
gommen
stuffen
uitvlakken
gummen {ww.}

ik gom
jij gomt
hij/zij/het gomt

ik gom
jij gomt
hij/zij/het gomt
» meer vervoegingen van gommen

gom (mv. gommen), gummi {zn.}
gom (mv. gommen)
gummi {zn.}
Ik kauwde de gom.
Ik kauwde de gom.
gom (mv. gommen), slijm {zn.}
gom (mv. gommen)
slijm {zn.}
gom [m] (de/het ~) {zn.}
gom [m] (de/het ~) {zn.}
gom (mv. gommen), vlakgom [o] (het ~), stuf [o] (het ~), gum [m] (de/het ~) {zn.}
gom (mv. gommen)
vlakgom [o] (het ~)
stuf [o] (het ~)
gum [m] (de/het ~) {zn.}
gom (mv. gommen) {zn.}
gom (mv. gommen) {zn.}
gom (mv. gommen) [m] (de/het ~) {zn.}
gom (mv. gommen) [m] (de/het ~) {zn.}
GOM [v] (de ~) {zn.}
GOM [v] (de ~) {zn.}