Vertaling van koel
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
koel, koeltjes {bw.}
koel
koeltjes {bw.}
koeltjes {bw.}
koel {bn.}
koel {bn.}
koel, lauw, lusteloos {bw.}
koel
lauw
lusteloos {bw.}
lauw
lusteloos {bw.}
effen, koel, nuchter, uitgestreken {bn.}
effen
koel
nuchter
uitgestreken {bn.}
koel
nuchter
uitgestreken {bn.}
theoretisch, papieren, academisch, koel, nuchter, zakelijk {bn.}
theoretisch
papieren
academisch
koel
nuchter
zakelijk {bn.}
papieren
academisch
koel
nuchter
zakelijk {bn.}
schools, koel, nuchter, zakelijk {bn.}
schools
koel
nuchter
zakelijk {bn.}
koel
nuchter
zakelijk {bn.}
fris, koel {bn.}
fris
koel {bn.}
koel {bn.}
universitair, academisch, wetenschappelijk, koel, nuchter, zakelijk {bn.}
universitair
academisch
wetenschappelijk
koel
nuchter
zakelijk {bn.}
academisch
wetenschappelijk
koel
nuchter
zakelijk {bn.}
koelen {ww.}
koelen {ww.}
ik koel
jij koelt
hij/zij/het koelt
ik koel
jij koelt
hij/zij/het koelt
» meer vervoegingen van koelen
koelen {ww.}
koelen {ww.}
ik koel
jij koelt
hij/zij/het koelt
ik koel
jij koelt
hij/zij/het koelt
» meer vervoegingen van koelen
verkoelen, koelen {ww.}
verkoelen
koelen {ww.}
koelen {ww.}
ik koel
jij koelt
hij/zij/het koelt
ik verkoel
jij verkoelt
hij/zij/het verkoelt
» meer vervoegingen van verkoelen
koelen, afkoelen {ww.}
koelen
afkoelen {ww.}
afkoelen {ww.}
ik koel af
jij koelt af
hij/zij/het koelt af
ik koel
jij koelt
hij/zij/het koelt
» meer vervoegingen van koelen
koelen, afkoelen, verkoelen {ww.}
koelen
afkoelen
verkoelen {ww.}
afkoelen
verkoelen {ww.}
ik koel af
jij koelt af
hij/zij/het koelt af
ik koel
jij koelt
hij/zij/het koelt
» meer vervoegingen van koelen