Vertaling van moord

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
moord {zn.}
moord {zn.}
Hij is schuldig aan moord.
Hij is schuldig aan moord.
De man heeft een moord gepleegd.
De man heeft een moord gepleegd.
moord [m] (de ~), manslag {zn.}
moord [m] (de ~)
manslag {zn.}
Moord wordt met de dood gestraft.
Moord wordt met de dood gestraft.
Hij werd schuldig bevonden aan moord.
Hij werd schuldig bevonden aan moord.
moorden, neerhouwen, afslachten {ww.}
moorden
neerhouwen
afslachten {ww.}

ik slacht af
jij slacht af
hij/zij/het slacht af

ik moord
jij moordt
hij/zij/het moordt
» meer vervoegingen van moorden

vermoorden, moorden {ww.}
vermoorden
moorden {ww.}

ik moord
jij moordt
hij/zij/het moordt

ik vermoord
jij vermoordt
hij/zij/het vermoordt
» meer vervoegingen van vermoorden

Mijn broer wil me vermoorden.
Mijn broer wil me vermoorden.
Mijn vader gaat me vermoorden.
Mijn vader gaat me vermoorden.
afmaken, uitmoorden, afslachten, moorden {ww.}
afmaken
uitmoorden
afslachten
moorden {ww.}

ik maak af
jij maakt af
hij/zij/het maakt af

ik maak af
jij maakt af
hij/zij/het maakt af
» meer vervoegingen van afmaken

Ik zal dit werk op een of andere manier afmaken.
Ik zal dit werk op een of andere manier afmaken.


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Hij is schuldig aan moord.

Hij is schuldig aan moord.

De man heeft een moord gepleegd.

De man heeft een moord gepleegd.

Moord wordt met de dood gestraft.

Moord wordt met de dood gestraft.

Hij werd schuldig bevonden aan moord.

Hij werd schuldig bevonden aan moord.

De politie doet onderzoek naar de moord.

De politie doet onderzoek naar de moord.

Los het raadsel op dat schuil gaat achter de moord.

Los het raadsel op dat schuil gaat achter de moord.


Gerelateerd aan moord

manslag - moorden - neerhouwen - afslachten - vermoorden - afmaken - uitmoordendoding - vermoorden