Vertaling van nabij
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
nabij, dichtbij {bw.}
nabij
dichtbij {bw.}
dichtbij {bw.}
aan, bij, dichtbij, naast, nabij {vz.}
aan
bij
dichtbij
naast
nabij {vz.}
bij
dichtbij
naast
nabij {vz.}
dichtbij, in de buurt van, nabij {vz.}
dichtbij
in de buurt van
nabij {vz.}
in de buurt van
nabij {vz.}
dichtbij, nabij, vlakbij {bw.}
dichtbij
nabij
vlakbij {bw.}
nabij
vlakbij {bw.}
nabijkomen, naderen, nader treden, naderbij komen {ww.}
nabijkomen
naderen
nader treden
naderbij komen {ww.}
naderen
nader treden
naderbij komen {ww.}
ik kom nabij
ik kwam nabij
jij komt nabij
ik kom nabij
ik kwam nabij
jij komt nabij
» meer vervoegingen van nabijkomen
dichtbij, kortbij, nabij {bw.}
dichtbij
kortbij
nabij {bw.}
kortbij
nabij {bw.}
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Nederlands
Duitse manschappen vielen Britse soldaten aan nabij Amiens, Frankrijk.
Duitse manschappen vielen Britse soldaten aan nabij Amiens, Frankrijk.
Hannibal voor de poorten", oftewel "Er is een zeer groot gevaar nabij
Hannibal voor de poorten", oftewel "Er is een zeer groot gevaar nabij