Vertaling van passagier

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
passagier [m], inzittende [m] {zn.}
passagier [m]
inzittende [m] {zn.}
reiziger, passagier [m] {zn.}
reiziger
passagier [m] {zn.}
Ik ben geen echte reiziger.
Ik ben geen echte reiziger.
De reiziger bereikte uiteindelijk zijn bestemming.
De reiziger bereikte uiteindelijk zijn bestemming.
passagier [m] (de ~) {zn.}
passagier [m] (de ~) {zn.}
passagieren {ww.}
passagieren {ww.}

ik passagier
jij passagiert
hij/zij/het passagiert

ik passagier
jij passagiert
hij/zij/het passagiert
» meer vervoegingen van passagieren

passagieren {ww.}
passagieren {ww.}

ik passagier
jij passagiert
hij/zij/het passagiert

ik passagier
jij passagiert
hij/zij/het passagiert
» meer vervoegingen van passagieren

passagieren {ww.}
passagieren {ww.}

ik passagier
jij passagiert
hij/zij/het passagiert

ik passagier
jij passagiert
hij/zij/het passagiert
» meer vervoegingen van passagieren



Gerelateerd aan passagier

inzittende - reiziger - passagierenreiziger - uitgaan - cabine