Vertaling van schroom

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
schroom {zn.}
schroom {zn.}
weifeling [v], schroom, aarzeling [v] {zn.}
weifeling [v]
schroom
aarzeling [v] {zn.}
scrupule, gewetensbezwaar, schroom, gemoedsbezwaar {zn.}
scrupule
gewetensbezwaar
schroom
gemoedsbezwaar {zn.}
vrezen, terugschrikken voor, duchten, schromen, bang zijn voor {ww.}
vrezen
terugschrikken voor
duchten
schromen
bang zijn voor {ww.}

ik ducht
jij ducht
hij/zij/het ducht

ik vrees
jij vreest
hij/zij/het vreest
» meer vervoegingen van vrezen

Vrees niet, want er is niets te vrezen.
Vrees niet, want er is niets te vrezen.
Goed doen en niets vrezen
Goed doen en niets vrezen
dubben, aarzelen, weifelen, schromen, schoorvoeten {ww.}
dubben
aarzelen
weifelen
schromen
schoorvoeten {ww.}

ik aarzel
jij aarzelt
hij/zij/het aarzelt

ik dub
jij dubt
hij/zij/het dubt
» meer vervoegingen van dubben

De beklaagde ging zonder aarzelen in beroep tegen de uitspraak.
De beklaagde ging zonder aarzelen in beroep tegen de uitspraak.
Ah, als je het kunt dubben, mag ik dan ook een kopie?
Ah, als je het kunt dubben, mag ik dan ook een kopie?
pudeur (de ~), schroom [m] (de ~) {zn.}
pudeur (de ~)
schroom [m] (de ~) {zn.}
schromen {ww.}
schromen {ww.}

ik schroom
jij schroomt
hij/zij/het schroomt

ik schroom
jij schroomt
hij/zij/het schroomt
» meer vervoegingen van schromen