Vertaling van toeval

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
toeval, toevalligheid [v] {zn.}
toeval
toevalligheid [v] {zn.}
Toen de bom ontplofte was it daar bij toeval.
Toen de bom ontplofte was it daar bij toeval.
Ik ontmoette mijn leraar per toeval in het restaurant gisteravond.
Ik ontmoette mijn leraar per toeval in het restaurant gisteravond.
toeval [m] (de/het ~) {zn.}
toeval [m] (de/het ~) {zn.}
Het was puur toeval dat ik haar leerde kennen.
Het was puur toeval dat ik haar leerde kennen.
Het was puur toeval dat Mary en ik op dezelfde trein zaten.
Het was puur toeval dat Mary en ik op dezelfde trein zaten.
geval [o] (het ~), toeval [o] (het ~), toevalligheid [v] (de ~), coïncidentie [v] (de ~) {zn.}
geval [o] (het ~)
toeval [o] (het ~)
toevalligheid [v] (de ~)
coïncidentie [v] (de ~) {zn.}
(Het is niet van jou) wat het geluk/toeval je heeft gebracht
(Het is niet van jou) wat het geluk/toeval je heeft gebracht


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Toen de bom ontplofte was it daar bij toeval.

Toen de bom ontplofte was it daar bij toeval.

Ik ontmoette mijn leraar per toeval in het restaurant gisteravond.

Ik ontmoette mijn leraar per toeval in het restaurant gisteravond.

Het was puur toeval dat ik haar leerde kennen.

Het was puur toeval dat ik haar leerde kennen.

Het was puur toeval dat Mary en ik op dezelfde trein zaten.

Het was puur toeval dat Mary en ik op dezelfde trein zaten.

(Het is niet van jou) wat het geluk/toeval je heeft gebracht

(Het is niet van jou) wat het geluk/toeval je heeft gebracht


Gerelateerd aan toeval

toevalligheid - geval - coïncidentieaanval - gebeurtenis