Vertaling van trein

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
trein, tros {zn.}
trein
tros {zn.}
Hier komt de trein!
Hier komt de trein!
De trein was ontspoord.
De trein was ontspoord.
trein [m] (de ~) {zn.}
trein [m] (de ~) {zn.}
De trein is in aantocht.
De trein is in aantocht.
Welke trein gaat ge nemen?
Welke trein gaat ge nemen?
treinen, sporen {ww.}
treinen
sporen {ww.}

ik spoor
jij spoort
hij/zij/het spoort

ik trein
jij treint
hij/zij/het treint
» meer vervoegingen van treinen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Hier komt de trein!

Hier komt de trein!

De trein was ontspoord.

De trein was ontspoord.

De trein is in aantocht.

De trein is in aantocht.

Welke trein gaat ge nemen?

Welke trein gaat ge nemen?

Onze trein kwam op tijd.

Onze trein kwam op tijd.

Hoe laat vertrekt deze trein?

Hoe laat vertrekt deze trein?

De trein vertrok op tijd.

De trein vertrok op tijd.

Misschien heeft hij de trein gemist.

Misschien heeft hij de trein gemist.

De trein kwam aan in Londen.

De trein kwam aan in Londen.

Is dit de juiste trein naar Tokio?

Is dit de juiste trein naar Tokio?

Deze trein stopt op alle stations.

Deze trein stopt op alle stations.

De trein bestaat uit vijftien wagons.

De trein bestaat uit vijftien wagons.

Soms komt de trein niet op tijd.

Soms komt de trein niet op tijd.

Doe niet open voordat de trein stopt.

Doe niet open voordat de trein stopt.

De trein ging 500 mijl per uur.

De trein ging 500 mijl per uur.


Gerelateerd aan trein

tros - treinen - sporenvoertuig - reizen - treinstel