Vertaling van troon
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
troon {zn.}
troon {zn.}
tronen {ww.}
tronen {ww.}
ik troon
jij troont
hij/zij/het troont
ik troon
jij troont
hij/zij/het troont
» meer vervoegingen van tronen
tronen {ww.}
tronen {ww.}
ik troon
jij troont
hij/zij/het troont
ik troon
jij troont
hij/zij/het troont
» meer vervoegingen van tronen
lokken, tronen {ww.}
lokken
tronen {ww.}
tronen {ww.}
ik lok
jij lokt
hij/zij/het lokt
ik lok
jij lokt
hij/zij/het lokt
» meer vervoegingen van lokken