Vertaling van uitlaten

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
uitlaten, uitgeleide doen {ww.}
uitlaten
uitgeleide doen {ww.}

ik zal uitlaten
ik zou uitlaten
jij zult uitlaten

ik zal uitlaten
ik zou uitlaten
jij zult uitlaten
» meer vervoegingen van uitlaten

uitlaten, afrijden {ww.}
uitlaten
afrijden {ww.}

ik zal afrijden
ik zou afrijden
jij zult afrijden

ik zal uitlaten
ik zou uitlaten
jij zult uitlaten
» meer vervoegingen van uitlaten

lossen, vieren, weglaten, uitlaten, tappen, loslaten {ww.}
lossen
vieren
weglaten
uitlaten
tappen
loslaten {ww.}

ik zal loslaten
ik zou loslaten
jij zult loslaten

ik zal lossen
ik zou lossen
jij zult lossen
» meer vervoegingen van lossen

Op 14 februari vieren Amerikanen Valentijnsdag.
Op 14 februari vieren Amerikanen Valentijnsdag.
Ik probeerde het probleem op te lossen.
Ik probeerde het probleem op te lossen.
weglaten, verzuimen, uitlaten, verzaken, nalaten {ww.}
weglaten
verzuimen
uitlaten
verzaken
nalaten {ww.}

ik zal nalaten
ik zou nalaten
jij zult nalaten

ik zal weglaten
ik zou weglaten
jij zult weglaten
» meer vervoegingen van weglaten

niet afzetten, uitlaten, aflaten {ww.}
niet afzetten
uitlaten
aflaten {ww.}

ik zal aflaten
ik zou aflaten
jij zult aflaten

ik zal uitlaten
ik zou uitlaten
jij zult uitlaten
» meer vervoegingen van uitlaten

uitlaat (mv. uitlaten), uitlaatpijp, trekker {zn.}
uitlaat (mv. uitlaten)
uitlaatpijp
trekker {zn.}
uitlaat (mv. uitlaten) [m] (de ~) {zn.}
uitlaat (mv. uitlaten) [m] (de ~) {zn.}
uitlaat (mv. uitlaten) [m] (de ~), uitlaatklep [m] (de ~) {zn.}
uitlaat (mv. uitlaten) [m] (de ~)
uitlaatklep [m] (de ~) {zn.}