Vertaling van lossen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
lossen, ontschepen {ww.}
lossen
ontschepen {ww.}

ik los
jij lost
hij/zij/het lost

ik los
jij lost
hij/zij/het lost
» meer vervoegingen van lossen

Ik probeerde het probleem op te lossen.
Ik probeerde het probleem op te lossen.
Hij slaagde erin het probleem op te lossen.
Hij slaagde erin het probleem op te lossen.
lossen, uitladen, afladen {ww.}
lossen
uitladen
afladen {ww.}

ik laad af
jij laadt af
hij/zij/het laadt af

ik los
jij lost
hij/zij/het lost
» meer vervoegingen van lossen

Ik had moeite dit probleem op te lossen.
Ik had moeite dit probleem op te lossen.
Dit is de beste manier op dat probleem op te lossen.
Dit is de beste manier op dat probleem op te lossen.
lossen {ww.}
lossen {ww.}

ik los
jij lost
hij/zij/het lost

ik los
jij lost
hij/zij/het lost
» meer vervoegingen van lossen

Is het gemakkelijk voor mij om dit probleem op te lossen?
Is het gemakkelijk voor mij om dit probleem op te lossen?
lossen, vieren, weglaten, uitlaten, tappen, loslaten {ww.}
lossen
vieren
weglaten
uitlaten
tappen
loslaten {ww.}

ik laat los
jij laat los
hij/zij/het laat los

ik los
jij lost
hij/zij/het lost
» meer vervoegingen van lossen

Op 14 februari vieren Amerikanen Valentijnsdag.
Op 14 februari vieren Amerikanen Valentijnsdag.
Enkele jaren later werd in plaats van "De Internationale Taal van doctor Esperanto" gewoonlijk de korte naam "Esperanto" gebruikt. Op deze dag vieren we dus in de hele…
Enkele jaren later werd in plaats van "De Internationale Taal van doctor Esperanto" gewoonlijk de korte naam "Esperanto" gebruikt. Op deze dag vieren we dus in de hele…
lossen, uitladen, ontladen {ww.}
lossen
uitladen
ontladen {ww.}

ik los
jij lost
hij/zij/het lost

ik los
jij lost
hij/zij/het lost
» meer vervoegingen van lossen

lossen, uitladen, ontladen {ww.}
lossen
uitladen
ontladen {ww.}

ik los
jij lost
hij/zij/het lost

ik los
jij lost
hij/zij/het lost
» meer vervoegingen van lossen

lossen, loslaten {ww.}
lossen
loslaten {ww.}

ik laat los
jij laat los
hij/zij/het laat los

ik los
jij lost
hij/zij/het lost
» meer vervoegingen van lossen

los (mv. lossen), ongedwongen, vrij, vrijelijk, vrijuit {bw.}
los (mv. lossen)
ongedwongen
vrij
vrijelijk
vrijuit {bw.}
beweegbaar, los (mv. lossen), mobiel, roerend {bn.}
beweegbaar
los (mv. lossen)
mobiel
roerend {bn.}
los (mv. lossen), vrij {bn.}
los (mv. lossen)
vrij {bn.}
los (mv. lossen) {bn.}
los (mv. lossen) {bn.}
los (mv. lossen), vrij {bn.}
los (mv. lossen)
vrij {bn.}
los (mv. lossen), slap {bn.}
los (mv. lossen)
slap {bn.}
los (mv. lossen) [m], lynx [m] {zn.}
los (mv. lossen) [m]
lynx [m] {zn.}
Laat mijn arm los!
Laat mijn arm los!
Laat me los!
Laat me los!
los (mv. lossen), onbelemmerd, onbezet, open, vlot, vrij, vrijgesteld {bn.}
los (mv. lossen)
onbelemmerd
onbezet
open
vlot
vrij
vrijgesteld {bn.}
iel, los (mv. lossen), luchtig, mul {bn.}
iel
los (mv. lossen)
luchtig
mul {bn.}
afgezonderd, afzonderlijk, bijzonder, los (mv. lossen), apart, separaat, los van elkaar {bn.}
afgezonderd
afzonderlijk
bijzonder
los (mv. lossen)
apart
separaat
los van elkaar {bn.}
vrijmoedig, frank, onbevangen, los (mv. lossen), ongedwongen, vrij, natuurlijk, ongekunsteld {bn.}
vrijmoedig
frank
onbevangen
los (mv. lossen)
ongedwongen
vrij
natuurlijk
ongekunsteld {bn.}
los (mv. lossen) {bn.}
los (mv. lossen) {bn.}
los (mv. lossen) (de ~) {zn.}
los (mv. lossen) (de ~) {zn.}
apart, afzonderlijk, alleenstaand, onafhankelijk, separaat, los (mv. lossen), gescheiden {bn.}
apart
afzonderlijk
alleenstaand
onafhankelijk
separaat
los (mv. lossen)
gescheiden {bn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Ik probeerde het probleem op te lossen.

Ik probeerde het probleem op te lossen.

Hij slaagde erin het probleem op te lossen.

Hij slaagde erin het probleem op te lossen.

Ik had moeite dit probleem op te lossen.

Ik had moeite dit probleem op te lossen.

Dit is de beste manier op dat probleem op te lossen.

Dit is de beste manier op dat probleem op te lossen.

Is het gemakkelijk voor mij om dit probleem op te lossen?

Is het gemakkelijk voor mij om dit probleem op te lossen?


Gerelateerd aan lossen

ontschepen - uitladen - afladen - vieren - weglaten - uitlaten - tappen - loslaten - ontladen - los - ongedwongen - vrij - vrijelijk - vrijuit - beweegbaarweghalen - leegmaken - laten - lynx